Vth-delta

Uit ArenaWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Achtergrond

Het taakveld vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) wordt omgeven door een breed palet van ontwikkelingen, de VTH-Delta. Deze ontwikkelingen tenderen deels weliswaar in eenzelfde richting, maar er is ook sprake van uit de pas lopen en zelfs tegenstrijdigheid. Dossiers binnen de VTH-Delta worden bovendien vaak geïsoleerd geagendeerd of uitgewerkt (Wabo, Maatlat, discussie strafrecht-bestuursrecht). In een aantal stappen zijn de provincies de gedachten aan het vormen over de toekomst van deze taakstelling en het algemeen en de provinciale rol en positie daarbinnen in het bijzonder.

De VTH-delta bestaat ondder meer uit de volgende ontwikkelingen:

VTH-delta.jpg

Plaats en positie VTH-taakstelling

De algemene lijn is dat beleidsmatige en bestuurlijke ambities (meer) leidend moeten zijn voor de prioriteitstelling, aanpak etc. van de VTH-taakstelling. Dit geldt zowel voor algemene thema’s als veiligheid en klimaat (energie), maar ook voor meer gebiedsgerichte (provinciale) ambities. Daarnaast is er een bestuurlijke lijn tot een meer service-gerichte opstelling van de provincie (en gemeenten). Vergunningverlening moet dan meer zijn gericht op het integraal mogelijk maken van maatschappelijke initiatieven. In de sfeer van toezicht kan de service zich vertalen in bijvoorbeeld koppeling van informatie tussen bedrijven en bevoegd gezag, het stroomlijnen van werkprocessen en meer ‘marktgericht’ prioriteiten leggen (moet nog wel alles worden gecontroleerd waar ook andere ‘checks & balances’ bestaan?).


Binnen deze twee belangrijkste vertrekpunten (vanuit beleid en service) zijn het opereren binnen de wettelijke kaders en een efficiënte bedrijfsvoering belangrijke randvoorwaarden. Integraal werken en voldoende oog voor kwaliteit (zowel op niveau organisatie als op niveau professionals) behoren daartoe.


Ordening VTH-taakstelling

De maatschappelijke en bestuurlijke opgaven van dit moment zijn voor een belangrijk deel omvangrijker dan de lokale schaal. Dit geldt voor gebiedsontwikkelingen en voor specifieke thema’s en opgaven. Denk bijvoorbeeld aan vraagstukken als klimaat en het tegengaan van verrommeling in het landschap. Zowel vanuit de inhoud van deze vraagstukken/opgaven als vanuit de bestuurlijke realiteit (‘respect voor het locale bestuur en de afwegingen in het locale democratische proces’) is een zekere provinciale regie wenselijk. Mede ook in relatie tot de ontwikkelingen op rijksniveau en de doorvertaling van Europese regelgeving.


Meer provinciale regie

Ten opzichte van de huidige situatie lijkt meer provinciale grip op de ruimtelijke ontwikkeling onontkoombaar. Duidelijke thema’s en vraagstukken daarbij zijn:

  • ontwikkeling landelijk gebied, in het bijzonder de vitaliteit van de kleine kernen
  • ontwikkeling en bescherming van natuurgebieden (EHS), in het bijzonder waar het gaat om agrarisch en recreatief medegebruik
  • ontwikkeling en (her)bestemming bedrijfsterreinen
  • specifieke dossiers als transitie landbouwsector, bijvoorbeeld inzake wenselijkheid en locaties megastallen


Dit vraagt om een herijking van de rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van gemeenten en provincie op dit punt. De provincie voert in dit beeld een kaderstellende regie inzake inhoudelijke uitgangspunten (zoals ruimtelijke kwaliteitseisen) en bestuurlijke condities (spelregels). Het vinden van een goede balans tussen vooraf veel regelen en voldoende ruimte laten aan de dynamiek van de ontwikkelingen, is daarbij geen sinecure. De nieuwe Wro biedt hiervoor aanknopingspunten. Een sterkere provinciale regie over de – grote lijnen van de – ruimtelijke ontwikkeling, is echter geen bestuurlijke vanzelfsprekendheid.

Regievormen.jpg


Meer locale uitvoering?

De contramal van een zwaarder provinciaal stempel op de ruimtelijke ontwikkeling, is een versterking van de gemeentelijke rol in het beheer van de openbare ruimte en de uitvoering van de VTH-taken. Hierbij wordt een scherper (helderder) rolverdeling neergezet tussen het locale bestuur dat dicht bij de burger staat en het middenbestuur dat (de samenhang in) het grotere geheel kan overzien en daarin stuurt. In beginsel is het denkbaar dat de gemeenten bestuurlijk verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van alle vergunningverlening, toezicht en handhaving in de fysieke leefomgeving. Dit is echter alleen denkbaar als de kwaliteit van de uitvoering en de bestuurlijke integriteit voldoende gewaarborgd is. Dit vertrouwen is er nu nog niet in alle breedte.


Daarbij moet ook een goed onderscheid worden gemaakt tussen de bestuurlijke en organisatorische weerbaarheid van overheidsinstanties. Het bundelen van expertise in bijvoorbeeld regionale uitvoeringsdiensten is nog geen oplossing voor het bestuurlijk een eigenstandige koers varen van een gemeente. Bij het laatste kan (moet) bovendien de vraag worden gesteld in welke mate een transparante eigen koers vanuit democratisch oogpunt niet juist wenselijk is? Ook al ook al zou een ander bestuur een andere keuze hebben gemaakt.


De grens tussen de legitimatie van een afwijkende keuze op basis van de democratische procesgang enerzijds en het bestuurlijk inadequaat handelen, is echter glijdend. Ook bij respect voor de locale autonomie in de uitvoering, zal in ultimo de provincie als bestuurlijk toezichthouder moeten kunnen optreden. Dit is echter een generieke vorm van bestuurlijk toezicht (conform Oosting) en niet een vorm van specifiek toezicht zoals nu bijvoorbeeld in het kader van de professionalisering.


Meer eigen verantwoordelijkheid

Binnen dit speelveld is het beeld dat de overheid (provincie, gemeenten) niet moeten proberen alles te reguleren. Dit kan ook (puur organisatorisch) ook al niet. Bovendien moet ook steeds de vraag zijn wat extra regulering bijdraagt aan het extra realiseren van doelstellingen. Kan met het in algemene zin strikt handhaven van energienormen nog zo veel meer winst worden geboekt ten opzichte van andere initiatieven? (gezamenlijke projecten, investeren in R&D, voorlichting, advies etc.).


Ook ten principale geldt de vraag in hoeverre de overheid op een aantal punten de verantwoordelijkheid voor het handelen niet bij de samenleving zelf moet laten (behoudens uiteraard zaken die bijvoorbeeld direct veiligheid, maatschappelijke gezondheid of kritische ecologische waarden betreffen)? Er zijn immers ook andere checks & balances in de samenleving dan die tussen burger en controlerende overheid. Dit geldt ook voor de relatie tussen provincie en gemeenten in de toezichthoudende rol van de eerste.

VTH taken in shared service centra.jpg

Shared Service Centra als basisconditie?

De voorgaande punten – meer provinciale regie, meer locale uitvoering, meer eigen verantwoordelijkheid - stellen vanuit provinciaal perspectief als randvoorwaarde dat de overheidsorganisatie voldoende geëquipeerd is. Een versterking van de expertise en een goed informatie- en kennismanagement zijn daarbij een conditio sine qua non. Dit moet ertoe leiden dat er voldoende organisatorische waarborgen zijn voor:

  • expertise, continuïteit en flexibiliteit in capaciteit en expertise zijn gewaarborgd
  • dat sprake is van voldoende eenduidigheid naar de samenleving


Enkele provincies hebben als de keuze gemaakt dat moet worden toegewerkt naar regionale uitvoeringsdiensten / omgevingsdiensten. Anderen zien dit op korte termijn nog niet gebeuren of stellen zich op het standpunt dat een regionale uitvoeringsdienst slecht ‘n manier van organiseren is en niet dé manier van organiseren. Zeker met de mogelijkheden van ICT zijn ook vormen van virtuele opschaling denkbaar. Daarnaast is het investeren in de professionals zelf een belangrijk aandachtspunt.


Het enkel en alleen bij elkaar zetten – of in contact brengen – van de huidige generatie professionals, biedt geen soelaas voor de gestelde opgaven. Dit tendeert meer naar een model van (minimaal) gezamenlijke Shared Service Centra (SSC) dan een model van integrale omgevingsdiensten waar ook de taakuitvoering in het kader van VTH en zelfs het mandaat voor besluitvorming (deels) zijn ondergebracht. Vanuit een optiek van de genoemde bestuurlijke weerbaarheid zou een richting welk kunnen zijn om de meer gekwalificeerde dossiers qua vergunningverlening en inspecties gezamenlijk te organiseren en uit te voeren. Het basisloket qua advisering, vergunningverlening en het basistoezicht blijven in dat model lokaal georganiseerd.


Verdieping over de VTH-delta

Zie ook de columns van Dr. John Smits van Arena Consulting:

Persoonlijke instellingen